Stond ik daar in een zwembad, het was er ziek groot. Oostenrijk, vond ik. Maar ik geloof niet dat het Oostenrijk was, ook al waren het dezelfde glijbanen. Het dak was hoog en het golfde een beetje. De kleur van de lucht was onheilspellend, maar het mocht de pret niet drukken.
Ik rende over natte tegeltjes, het water spette omhoog en plots liep ik daar allemaal jongens tegen het lijf. We zaten in dezelfde klas op de basisschool. Al die jongens. Eén is al dood, hij zat in een rolstoel. Ze kwamen in een kringetje om me heen zitten. Ik geloof dat we vrienden waren. Jij was er ook. Ik wilde je voorstellen, want ik was trots op je.
Ik weet niet of we tegen elkaar praatten maar ik zag nog twee jongens aan komen lopen. Ik wist de namen van allebei. Lex en Willem. Willem was altijd verliefd op mij. Hij heeft me achttien keer verkering gevraagd, ik durfde niet. Ik was toch wel verliefd? Ja, ik was 10 en verliefd op Willem. Nu droeg hij een handdoek. Als een soort cape. Hij leek wel koning, en hij was vriendelijk.
Ik geloof dat ik weg liep, met jou. Alles met jou, ik wilde niks zonder je doen. Het begon te onweren. Eerst leek het nog niet zo erg, maar dat kwam wel. Het begon te stormen en mensen gingen dood. De bliksem sloeg overal in, en er was hagel. Ik wilde je redden. We renden over verschillende verdiepingen van het zwembad. Beneden, daar was je vader. Hij vroeg me hem te bellen. Ik weet niet waar jij toen was, maar de telefoon deed het niet. Er kwam een soort gemompel uit en je vader bleef het maar heel hard tegen zijn oor drukken. Toen zag ik jou weer. Ik pakte je hand en vluchtte. Je geloofde niet dat ik wist wat ik deed, en om ons vielen doden. Ik trok je mee, naar een deur. Je zei dat dit niet de goede oplossing was, maar ik vond van wel, dus heb je erin meegetrokken. We gingen door een deur en ik werd opgezogen. Ik kwam in een andere kamer, waar het veilig was. Jij was er niet. Je was er heel lang niet en ik kreeg spijt. Ik wachtte. En daar was je plots, pas toen voelde ik me weer fijn.