Ik zag je voor het eerst op de Dam, je drukte mij zachtjes tegen je aan en ik wilde je even niet meer loslaten. We dronken en praatten alsof we elkaar al jaren kenden. Woeien weg in het Vondelpark en ik was zo blij met jou.
Ik mis de tent van Koninginnedag, de slingers, maar er valt niets meer te vieren. Jij ziet het toch niet meer. Het is voorbij. Weg ballonnen, weg raketjes in bed, geen nachtelijke spelletjes en sigaretten. Nooit meer praten tot de zon op komt, tot de tijd en dagen vergeten zijn. Geen wijn en bier en koffie met teveel melk.
Kon ik je maar weer even zo zachtjes tegen me aandrukken, en dat jij dan even niet los zou willen laten.