029

Jouw haren waren heel erg lang, je zat er in je eentje mooi te wezen en te lachen. Er waren heel veel mensen die wij kenden. Ik verstond ze niet want de klanken waren dof en ik kon niks dan kijken, terwijl buiten grote sneeuwvlokken vielen. Het liefst wilde ik door je haren aaien, maar jij kende mij nog niet. De deuren waren hoog en jij kon niet bij de klink. We hadden een slee en zochten naar een meisje, maar ik had haar allang gevonden, maar toen was jij weer kwijt.